
Edmond Schoorel
Mijn voorstel is om niet het meningsverschil over het al dan niet bestaan van virussen als uitgangspunt van het gesprek te nemen, maar de vraag naar de rol van infectieziektes en virussen in het leven van mensen. Wat maakt het tenslotte uit waar een ziekte van komt, als het doormaken ervan iets oplevert, iets moois of iets ingewikkelds, of van allebei wat.
Uit de geneeskundige praktijk, uit de psychologie en uit levenservaring kennen we het fenomeen van de ontwikkelingsstappen en -stagnaties in een mensenleven. De ontwikkeling van baby naar peuter, van peuter naar kleuter enzovoorts, tot aan volwassene en verder, gaat niet vanzelf, verloopt lang niet altijd organisch, soepel en harmonisch.
Kinderen kunnen knap onhandig en humeurig worden als ze tegen zo’n ontwikkelingsstap aanduwen en stagnatie ervaren. Een koortsende ziekte kan dan een methode zijn om de weerstand te overwinnen, de ontwikkelingsstap te zetten, een nieuwe fase te betreden, kortom: beter te worden. Dit principe geldt natuurlijk niet alleen voor kinderen.
In dit soort situaties is het oude zelf, zoals dat zich fysiek manifesteert in het immuunsysteem en psychisch in de ’coping mogelijkheden’, voorafgaand aan de koortsende ziekte, niet voldoende toegerust om de noodzakelijke ontwikkelingsstap te zetten. Er was hulp van buitenaf nodig. Een koortsende ziekte, bijvoorbeeld met een virusinfectie, biedt hulp om beter te worden, om een stap verder te komen in mijn ontwikkeling. Niet “weer de oude”, maar de nieuwe, beter.
Vanuit deze gedachtegang kan je begrijpen dat in een gezin drie van de vijf kinderen de mazelen kunnen krijgen en twee niet en dat bovendien die drie kinderen de ziekte op een hele verschillende, je zou kunnen zeggen individuele, manier doormaken.
Wat ook opvalt is dat de moeder in het gezin vaak de besmettelijke ziekte pas krijgt als de rest van het gezin die min of meer achter de rug heeft. Kan ze de ziekte uitstellen?
Ik heb veel gehad aan de uitspraak van een van mijn leermeesters: “Om beter te worden moet je eerst ziek zijn”. Deze uitspraak kan je opvatten als een platitude: nogal logisch dat ziek zijn en beter worden bij elkaar horen. Maar als je je gaat afvragen wat ‘beter’ eigenlijk betekent, kan je er ook niet onderuit om je af te vragen wat ‘ziek’ betekent. Ik stel het volgende voor: ziekte is het begin van het genezingsproces. De oorzaak van de ziekte lag in de gebeurtenissen vóór het ziek zijn. En die gebeurtenissen vroegen eigenlijk om een ontwikkelingsstap. Daarvoor was een duwtje in de rug nodig. Ik heb ouders vaak horen verzuchten: “Hij moest eens lekker ziek worden”, als een kleuter of schoolkind zichzelf in de weg zat.
Daarmee komen we in een ethisch dilemma. Enerzijds: wat ben je voor een ouder, als je je kind een ziekte toewenst?! Anderzijds: als die ziekte nu een hulp is, waarom zou je je kind die hulp niet gunnen? Dat dilemma laat zich oplossen als de oorzaak en het doel, de causaliteit en de finaliteit, van de ziekte netjes uit elkaar worden gehouden. Als je je kind opzettelijk ziek maakt ben je als veroorzaker daarvan strafbaar. Als je je daarentegen verheugt op de ontwikkelingsstap, die een kind mogelijk gaat zetten met behulp van de ziekte, ga je de ziekte zo goed mogelijk begeleiden in plaats van bestrijden.
Wat is nu in dit betoog de rol van virussen? Anders gezegd: Wat is bij virusziektes die ons een stap verder helpen, nu eigenlijk de rol van virussen?
Virussen zijn onontbeerlijk bij het ontstaan van een ziekte. Niet als oorzaak, laat staan als boosdoener, maar als bemiddelaar. Die rol als bemiddelaar hebben ze in de evolutie van de aarde en zijn bewoners al heel lang gespeeld. Virussen kunnen zich niet alleen ontzettend goed aanpassen aan de omstandigheden (één van de problemen van de effectiviteit van griepvirussen), maar ook genetisch materiaal daarheen brengen, waar het nodig is om te helpen een volgende ontwikkelingsstap te zetten. Dit proces wordt als het ware ‘van hogerhand’ aangestuurd. Waarschijnlijk zijn het virussen geweest, die planten, dieren en mensen het genetisch materiaal bezorgden, die de evolutie nodig had. In de brochure virussen en ontwikkeling heb ik daar meer over geschreven, naar aanleiding van de coronaperiode.
Virussen zijn exemplarisch voor het algemene uitgangspunt, dat een geestelijke werking op aarde een fysiek aangrijpingspunt nodig heeft om zijn werking uit te oefenen. Dit vraagt om een toelichting. Ik zie het zetten van een ontwikkelingsstap als het resultaat van een geestelijke werking. Als een kind een positieve ontwikkelingsstap zet zou je kunnen zeggen: het kind wordt meer zichzelf. De geestelijke werking is in dit voorbeeld de mens, zoals die in de toekomst zou kunnen worden. Dat toekomstige zelf kan niet toveren. Het heeft een aangrijpingspunt in het hier-en-nu nodig om effect te sorteren. Het aangrijpingspunt kan een virusinfectie zijn. Wat er nodig is om het ‘oude zelf’ van het kind even aan de kant te zetten en het de gelegenheid te geven om er een ‘nieuw zelf’ voor in de plaats te zetten? Dat is misschien precies het ziektebeeld van een kinderziekte, bijvoorbeeld de mazelen. (Interessant fenomeen is, dat na de mazelen een vrij langdurige periode van verzwakte afweer optreedt.) De oorzaak van de mazelen is in dit voorbeeld de hindernis in het oude zelf, het doel van de mazelen is het bereiken van het nieuwe zelf. Het mazelenvirus fungeert als bemiddelaar om de ziekte mogelijk te maken.
Ja, ieder kind met de mazelen herbergt een mazelenvirus.
Nee, het virus is niet de oorzaak van de mazelen.
Vanuit deze gedachtegang is het mogelijk om voor iedere gewenste ontwikkelingsstap het bijpassende ziektebeeld te schetsen. Het is duidelijk dat het werkterrein van de mazelen een ander is dan dat van de waterpokken, enzovoort.
De hierboven ontwikkelde manier van kijken heb ik te danken aan de antroposofie en de antroposofische menskunde, die Rudolf Steiner heeft ontwikkeld. Daarin spelen onder andere de begrippen ‘geest’ en ‘ontwikkelingsfasen’ een belangrijke rol. Voor mij is de antroposofie zo waardevol, omdat daarin de toekomst, de finaliteit, in de ontwikkeling van kinderen een prominente rol krijgt toebedeeld. De begrippen gezondheid, ziekte en genezing krijgen daardoor een plek, zoals ik die in mijn geneeskundige opleiding niet heb meegekregen.
Voor zover deze visie hout snijdt, kan hij helpen om met respect naar die virussen te kijken en om af te stappen van het vijandbeeld. Dan kan er meer aandacht gaan naar het, medisch en anderszins, begeleiden van het kind of de volwassene die door een virus wordt geholpen bij een noodzakelijke stap in zijn ontwikkeling.
Virussen zijn, zo bezien, fantastische helpers om een mens verder te helpen op zijn levenspad.
Edmond Schoorel, kinderarts i.r.
Bilthoven, 29 november 2025
Ik spreek mijn dank uit naar Arno Kaat van het digitijdschrift DVV/Spreekookjij (
) voor het kritisch meelezen en voor zijn suggesties.
Edmond Schoorel heeft als kinderarts in reguliere en antroposofische organisaties gewerkt. Schoorel heeft meerdere publicaties op zijn naam staan, zoals De eerste zeven jaar, ontwikkelingsfysiologie en de genoemde brochure Virussen en ontwikkeling. Website www.rijngoud.nl




Slechte heelmeesters maken stinkende wonden. Het niet hebben over wat de waarheid is, is het toedekken daarvan en dus een slechte heelmeester. Dat het voor de ervaring van de persoon die ziek is niet uitmaakt waar iets vandaan komt snap ik, maar het is van belang om te weten waar iets vandaan komt zodat je kan uitzoeken wat kan helpen om je beter te maken. Dus, ja het lijkt mij zeer belangrijk om te weten hoe je ziek wordt welke mechanismes erachter zitten en of wat gezegd wordt waar is.
Het maakt voor de wetenschapper veel uit - maar voor de maatschappelijk vragende mens - is de centrale vraag - was covid een project? Is er sprake van democide?
Daaraan bijdrage is urgent